Burgemeesters in oorlogstijd

 
 
Tijdens de Tweede Wereldoorlog werd het lokale bestuur in ons land zwaar op de proef gesteld. Met name de burgemeesters kwamen in een onmogelijke positie terecht. Historicus Peter Romijn laat in zijn boek ‘Burgemeesters in oorlogstijd’ zien hoe zij gaandeweg een instrument van de Duitse bezetter werden, die hen gebruikte om de maatschappij te controleren, nazificeren en exploiteren.

Peter Romijn, hoofd onderzoek bij het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie en hoogleraar aan de Universiteit van Amsterdam, kent ‘de gemeente’ van huis uit. Zijn vader was gemeenteontvanger in het Drentse Vries, zijn moeder werkte op een gemeentesecretarie. Dat heeft zeker bijgedragen tot zijn belangstelling voor het lokale bestuur in oorlogstijd. Na tien jaar onderzoek heeft hij daar nu een lijvig boek (745 pagina’s) over gepubliceerd. Na het verkennende onderzoek van Wim Derksen en Marie-Louise van der Sande uit 1989, opgenomen in de bundel De burgemeester van magistraat tot modern bestuurder, komt Romijn nu met een veelomvattende analyse van het lokale bestuur in de oorlogsjaren 1940-1945. De burgemeester staat daarin centraal. Dat is ook niet verwonderlijk want al een jaar na de Duitse inval in ons land werd de gemeentelijke democratie door de bezetters om zeep gebracht en werd het gemeentebestuur conform het nationaal-socialistische leidersprincipe in handen van de burgemeester gelegd. Die burgemeesters kwamen daardoor in de problemen. We danken er de uitdrukking ‘burgemeester in oorlogstijd’ aan. Ze verwijst naar de dwangpositie en de gewetensnood waarin je als bestuurder kunt komen te verkeren. Hoever ga je in het accepteren van dingen die je eigenlijk helemaal niet wilt maar toch doet ‘om erger te voorkomen’ en er ‘het beste van te maken’? 
Meidagen 
Aanvankelijk leek het erop, dat het allemaal wel zou meevallen. Nederland telde 925 burgemeesters in de meidagen van 1940, waaronder slechts een handvol sociaal-democraten. Het waren allemaal mannen - de eerste vrouwelijke burgemeester (Truus Smulders-Beliën) zou pas in 1946 aantreden. De bevolking keek hoog tegen de burgemeester op, men nam voor hem letterlijk de pet af. Niet één burgemeester trad af in de meidagen en ook de gemeenteraden, provinciale staten en het ambtelijk apparaat bleven functioneren. Dat was ook in overeenstemming met de zogeheten Aanwijzingen, die de regering in 1937 had opgesteld. Daarin stond hoe de autoriteiten en ambtenaren moesten handelen bij een vijandelijke inval. Het kwam erop neer dat men op zijn post moest blijven en in het belang van de bevolking zo goed mogelijk zijn taak moest blijven vervullen. Als de bezetter in strijd met het volkenrecht handelde, was protest geboden maar voor het overige moest men zich onthouden van vijandelijke daden jegens de bezetter. De Aanwijzingen waren geheim. Ze waren toegezonden aan alle gemeentehuizen en daar in de kluis opgeborgen. Pas na een vijandelijke inval mochten ze tevoorschijn worden gehaald. Dat droeg niet bij aan een goede mentale voorbereiding op een oorlogssituatie. De burgemeesters zelf waren ook niet ‘op heldendom geselecteerd’, zoals één van hen later zei.
 
De gemeentebesturen kwamen in de meidagen voor moeilijke beslissingen te staan, zeker op plaatsen waar het oorlogsgeweld voelbaar was. Men moest de gevolgen van de oorlog voor de burgers zoveel mogelijk verzachten en het gemeentelijk apparaat moest zo goed en zo kwaad als dat ging doordraaien. ‘In het algemeen hielden veel bestuurders zich goed’, schrijft Romijn, ‘ze bleven op hun plaats, gaven leiding en toonden zich verantwoordelijk.’ Een enkele burgemeester werd zelf ook slachtoffer van oorlogshandelingen. De Dordtse burgervader Johan Bleeker vernam in de vroege ochtend van 10 mei dat er Duitse parachutisten in zijn stad waren geland, bestelde een taxi om persoonlijk poolshoogte te nemen en werd onderweg beschoten. Hij werd in zijn schouder en nek geraakt, moest naar het ziekenhuis, maar kon even later toch naar het gemeentehuis; de dokter ried hem aan om wel af en toe een glaasje port te drinken om op de been te blijven. 
In Zundert dook burgemeester dr. W. Brokx een tijdje onder, maar dergelijk vluchtgedrag was een uitzondering. Heel wat burgemeesters toonden zich in deze dagen moedige en vaderlandslievende bestuurders, zoals de bevolking ook van hen verwachtte. Voorbeeldig gedroeg zich ook een gemeentesecretaris in de Betuwe. Hij fietste op de eerste oorlogsdag helemaal naar Den Haag om op het departement van Binnenlandse Zaken een geldkistje met 80.000 gulden af te leveren dat anders misschien in Duitse handen zou zijn gevallen. 
 
Omstreden figuur
Op Binnenlandse Zaken zwaaide secretaris-generaal mr. K.J. Frederiks de scepter. Een drukke prater, die erg van lekker eten en drinken hield en zich een paar keer per week liet masseren om toch slank te blijven. Hij zou tot het laatst van de oorlog in functie blijven. Ook hij was iemand van ‘redden wat er te redden valt’, ook als dat betekende dat er soms forse concessies aan de Duitsers moesten worden gedaan. Door zijn beleid en optreden raakte hij zeer omstreden. Hij was bijvoorbeeld een pleitbezorger van Winterhulp, de door de Duitsers opgezette collecte voor behoeftigen die een sterke propagandistische inslag had. Ook toonde Frederiks zich geen principieel tegenstander van benoeming van NSB’ers tot burgemeester. De Duitse politiechef Rauter schreef hij brieven met als aanhef ‘Lieber Herr Rauter’. Anderzijds probeerde hij wel zoveel mogelijk ‘goede’ burgemeesters op openvallende posten benoemd te krijgen en probeerde hij bij de Duitse autoriteiten het wegvoeren van joden naar concentratiekampen te voorkomen.
 
Eind mei 1940 trad dr. A. Seyss-Inquart aan als Reichskommissar für die besetzten niederländischen Gebiete. Daarmee was hij de hoogste baas van het civiele bestuur. Hij ging soms op ‘werkbezoek’ bij een gemeente. Zo verscheen hij in Utrecht in het gezelschap van Rauter op het stadhuis. Burgemeester dr. G. ter Pelkwijk was daar kennelijk niet van gediend en liet de rijkscommissaris door een ambtenaar ontvangen en binnenleiden. Dat was tegen het zere been van Seyss-Inquart. Hij vaardigde een instructie uit waarin stond dat de burgemeesters voortaan vóór het stadhuis moesten staan om hem persoonlijk te verwelkomen; alleen bij regen of sneeuw mochten ze beschutting zoeken. 
 
NSB-burgemeesters
De Duitse bezetters lieten de provinciale en gemeentelijke bestuurslagen vooralsnog intact, maar de sturing en controle nam toe. In de zomer van 1940 werden communisten en andere linkse ‘revolutionairen’ uit de gemeenteraden en de staten verwijderd. De commissaris der koningin moest voortaan door het leven gaan als commissaris der provincie. Burgemeesters die wat al te openlijk hun afkeer van de Duitsers lieten merken, werden ontslagen, zoals de Haagse burgemeester De Monchy (die niet optrad tegen de bloemenhulde op Anjerdag, de verjaardag van prins Bernhard) en de Goudse burgemeester K. James, die een neergeschoten piloot van de Duitse Luftwaffe had beledigd. Op 1 oktober 1940 trad de eerste NSB-burgemeester aan, jhr. Ernst van Bönninghausen in Hilversum. Zijn broer Egon was ook in voor een burgemeesterschap. ‘Het nationaal-socialisme is mij alles, het is mijn godsdienst, mijn geloof en mijn leven. Kan ik dit als burgemeester van Lutjebroek beter helpen bevorderen dan als burgemeester van Zwolle dan wil ik niets liever dan burgemeester worden van Lutjebroek.’ Het werd niet Zwolle en ook niet Lutjebroek maar Tubbergen.
 
Ariërverklaring
Via de zogeheten ‘ariërverklaring’ dreef de Duitse bezetter een wig tussen joden en niet-joden. Daarin verklaarde men geen joodse ouders, grootouders, echtgenote of verloofde te hebben. Bijna alle bestuurders en ambtenaren tekenden. Er waren maar tien principiële weigeraars, waaronder de Utrechtse gedeputeerde Van Tuyl van Serooskerken van Zuylen, die ontslag nam. De jacht op de joodse bestuurders was nu geopend. Eind 1940 werden twintig joodse raadsleden en acht joodse statenleden de laan uitgestuurd. Ontslagen van joodse burgemeesters waren niet aan de orde, om de doodeenvoudige reden dat niet één van de 925 burgemeesters in oorlogstijd jood was.
  
De Februaristaking van 1941, een protest tegen de razzia’s waarbij de Duitsers joden oppakten, had ook gevolgen voor het lokale bestuur. De gemeenteraden van Amsterdam, Haarlem, Hilversum en Zaandam werden naar huis gestuurd en de burgemeesters werden vervangen door Duitsgezinde regeringscommissarissen. In Amsterdam werden bovendien de wethouders, waaronder twee SDAP’ers, ontslagen. In Haarlem stapten hun twee partijgenoten op omdat ze niet onder de pro-Duitse regeringscommissaris S.L.A. Plekker ( in de volksmond ‘Slaap Lekker’) wilden dienen. September 1941 volgde de ontbinding van gemeenteraden en provinciale staten in heel het land. Wethouders werden gedegradeerd tot ambtenaren/hulpjes van de burgemeester. Tegen de anti-joodse maatregelen van de bezetters wist het lokale bestuur geen echte vuist te maken. De bestuurders legden zich er bij neer, zij het met weerzin. Ze zagen deze schending van de rechtsorde ook niet als hun verantwoordelijkheid, maar als die van de Duitsers, die immers tot de maatregelen besloten hadden. Ook secretaris-generaal Frederiks zag het zo. Op die manier suste men het eigen geweten. 
 
Burgemeesters die zich niet inschikkelijk toonden, kregen het steeds moeilijker. In het Friese Wymbritseradeel werd burgemeester S. van Haersma Buma wegens deutschfeindlichkeit opgepakt. Hij vond eind 1942 de dood in het concentratiekamp Neuengamme. De Zandvoortse burgemeester H. van Alphen werd door leden van de WA en Jeugdstorm mishandeld. De vraag ‘kan ik wel aanblijven’ werd voor menig burgemeester naarmate de Duitse druk toenam prangender. Eén van de weinige ‘opstappers’ was de anti-revolutionair J. Bruins Slot van Adorp. Opmerkelijk was dat eenderde van de Limburgse burgemeesters er de brui aan gaf. Dat was vooral het gevolg van het drijven van de Limburgse provinciecommissaris M. graaf van Marchant et d’Ansembourgh, een fanatieke NSB’er die van alle burgemeesters expliciete loyaliteit aan het nieuwe bestel eiste.
 
Krachtige leiding
Intussen gingen de Duitsers ook steeds meer werk maken van de benoeming van NSB’ers tot burgemeester. Het ambt was immers een belangrijk instrument in de nazificering van Nederland. De nationaal-socialist dr. J. Bouma noemde bij zijn installatie in Emmen het burgemeesterschap ‘één der schoonste beroepen, juist voor een nationaal-socialist’. De burgemeester moest krachtig leiding geven. ‘De tijd waarin de burgemeester zoo ongeveer tegen tienen met zijn hondje en zijn krantje naar ‘t gemeentehuis ging, is voorbij’, meende Bouman. Vanaf de zomer van 1941 werden praktisch alleen nog maar NSB-burgemeesters benoemd. Uiteindelijk zouden het er 345 zijn. Er kwam een speciale opleiding om NSB’ers klaar te stomen voor het burgemeesterschap. Door ‘goede’ burgemeesters en door de bevolking werd vaak kwaad gesproken over de nieuwkomers. Het waren ook niet allemaal snuggere figuren. Zo werd de Wassenaarse NSB-burgemeester Daniël de Blocq van Scheltinga, een adjudant van Mussert, zelfs in eigen kring ‘Dom Daantje’ genoemd. Velen zakten voor het burgemeestersexamen. ‘Weet niets en is bepaald dom’, rapporteerde de examencommissie over de NSB’er J. Boll, een handelaar in oude fietsen en radio’s. Desondanks werd hij toch benoemd tot burgemeester van Zaltbommel. Historicus Romijn concludeert echter dat achtergrond, opleiding en ervaring van veel NSB-burgemeesters niet fundamenteel afweek van de andere burgemeesters en dat zij ook zeker niet per definitie slechter functioneerden. Er waren beslist ook ‘redelijke’ figuren bij, die zich inspanden om er wat van te maken en die oor hadden voor de belangen van de inwoners van hun gemeente. Daarnaast waren er fanatici als de Velsense burgemeester Tj. van de Weide, een schoft die fel jacht maakte op joden en verzetsmensen en zich schuldig maakte aan mishandeling. Hij is de enige burgemeester die na de oorlog wegens zijn misdadige gedrag werd veroordeeld en geëxecuteerd. Ook gemeenten als Putten (W. Klinkenberg) en Zaandam (C. van Ravenswaay) hebben het slecht getroffen met hun burgemeester in oorlogstijd.
 
Installatie
De NSB en de Duitsers maakten altijd veel werk van de installatie van hun geestverwanten. Het gemoedelijke tafereel van de ambtsketen omhangen, wat vriendelijke woorden en een glaasje na afloop, was niet meer voldoende, het werd een echte politieke manifestatie, waarbij het WA-muziekkorps uitrukte en de zaal vol zat met zwarte uniformen. Alles werd gedaan om te onderstrepen dat hier een nieuwe plaatselijke Leider klaarstond om de gemeente op te stoten in de vaart van de nieuwe orde. In de woorden van de NSB-burgemeester van Boxtel R. Thomaes: ‘uw burgervader, uw bestuurder niet alleen, doch vooral uw leider.’ Veel burgers namen met afschuw kennis van dit soort propaganda, en ambtenaren probeerden de nieuwbakken NSB-burgemeester vaak zoveel mogelijk te ontlopen. Secretaris-generaal Frederiks van Binnenlandse Zaken schroomde niet NSB-burgemeesters die over de propagandistische schreef gingen, op het matje te roepen. De NSB-burgemeesters kregen het moeilijker naarmate ze probeerden zich meer te profileren. Steeds meer werd de burgemeester een doorgeefluik voor Duitse bevelen, en dat gold ook voor de NSB’ers onder hen. Het jagen op joden en arbeidskrachten (de Arbeitseinsatz), het onderdrukken van stakingen, de inzet van burgers bij de aanleg van Duitse verdedigingswerken en het geweld tegen verzetsmensen maakten dat bestuur en samenleving steeds verder erodeerden en uit elkaar groeiden. Burgemeesters gingen ook steeds meer persoonlijk gevaar lopen. In 1944 werden twee Brabantse burgemeesters die van verzetsactiviteiten werden verdacht, P. Smulders van Someren en W. Wijnen van Asten, door de Duitse Sicherheitsdienst vermoord. Omgekeerd werden ook aanslagen door het verzet gepleegd op foute burgemeesters.
 
Uitspattingen 
Het laatste oorlogsjaar kenmerkte zich door een ongekende demoralisering, waaraan ook NSB-burgemeesters niet ontkwamen. Ze bleken steeds minder bereid om voor hun politieke opvattingen uit te komen, uit angst voor aanslagen. Drankzucht, corruptie en seksuele uitspattingen tierden welig onder de dragers van de nieuwe orde. Er werd nauwelijks tegen opgetreden, waardoor het imago van de foute burgemeesters nog meer schade leed. In de laatste oorlogsfase leed het lokale bestuur, of wat daar nog van over was, hevig onder terreur, oorlogsvoering en gebrek aan alles. Opmerkelijk is dat sommige NSB-burgemeesters in dit stadium probeerden een ‘nieuwe start’ te maken door zich voor de getroffen bevolking in te zetten. Spectaculair was de ommekeer van de Puttense burgemeester Klinkenberg; de gewelddadige jodenjager brak met de NSB en werkte de Duitsers en hun handlangers voortaan tegen. Probeerde hij zich op die manier in te dekken tegen bestraffing als het Duitse regime in elkaar zou storten? 
 
De zuivering van de burgemeesters komt in het boek van Peter Romijn niet uitvoerig aan de orde. Dat is jammer maar wel verklaarbaar: hij besteedde er al aandacht aan in zijn vorige publicatie Snel, streng en rechtvaardig. Over secretaris-generaal Frederiks velt hij een milder oordeel dan dr. L. de Jong in zijn seriewerk over de oorlog. Romijn meent zelfs dat De Jong Frederiks ridiculiseerde door op te merken dat hij Napoleon aanbad en net als de Franse keizer de gewoonte had om zijn rechterhand tussen de knopen van zijn vest te steken. Maar Frederiks komt er ook bij Romijn niet genadig van af: hij heeft ‘onmiskenbaar politiek gefaald’, omdat hij de Duitse bedoelingen en bezettingspolitiek niet doorzag of verkeerd beoordeelde. Frederiks was een man met ‘gebrekkig politiek inzicht’ en hij leed aan ‘zelfoverschatting’. Noch hij, noch de burgemeesters wisten een goede strategie te ontwikkelen die gericht was op het redden van de joodse bevolking, is de bittere maar wel juiste conclusie van Romijn. We weten allemaal wat dat falen voor verschrikkelijke gevolgen heeft gehad.
 
Peter Romijn: Burgemeesters in oorlogstijd. Besturen tijdens de Duitse bezetting, uitgeverij Balans. ISBN 90 5018 771 4. Prijs 45,- euro
  
Eerder verschenen in Lokaal Bestuur 200?